Verwachting

Als de dag begint te doven
en de zon mij niet meer ziet,
als de schemering gaat komen
en ik stil word van verdriet,
als de nacht valt en mijn vogel
niet meer opdaagt met een lied –
na mijn duisternis Uw licht,
na mijn zwijgen Uw gedicht.

Jaap Zijlstra (2015)

 

Toen ik jong was, hield ik niet van gedichten.
Of ik vond ze dom geneuzel, of ik snapte ze niet…
En, dus, liet ik ze links liggen.
Oké, bij tijd en wijle een Sinterklaasgedicht om iemand lekker op de hak te nemen – maar verder?

Zo gaat ‘t – denk ik – veel mensen.
Gedichten horen bij kinderfeestjes of bij bejaarde stukjes op de trouwerij, and that’s it!
Ja, we zingen psalmen, gezangen en geestelijke liederen – maar beter leg je die (de beste uitgezonderd) niet langs een literaire meetlat…

Echt dichten, serieus genieten van poëzie is een niche, een aangeleerde smaak voor de happy (?) few

Eigenlijk is dat jammer.
Sowieso omdat je jezelf dan een taal en een wereld ontzegt waarin spannende dingen kunnen gebeuren – in geuren en kleuren die ‘gewone’ taal niet kent.

En daarbij mis je als Christen de kracht van een aardig deel van de Bijbel: hele stukken van vooral het Oude Testament zijn pure poëzie. En profeten als Jesaja gebruiken de dichtkunst als medium dat dieper doordringt in een mensenhart dan dagelijks proza dat kan.

Weet je?
Het probleem ermee (net als voor mijn jongere zelf) was, dat gedichten lezen en waarderen tijd kost. Tijd om woorden te proeven, tijd om regels hardop uit te spreken (doen!), tijd om verbanden te ontdekken…

Zoals een hedendaags bijna-poëtisch gezegde ons voorhoudt: “Het kost wat, maar dan heb je ook wat!”

* * *

Jesaja 40 is vandaag aan de beurt – niet dat zeldzaam mooie begin, maar het einde.

Ik ga daar iets – en niet meer – over zeggen, maar ik wil je deze keer vooral vragen om de tijd te nemen deze poëzie[1] op je in te laten werken. Let op de woordkeus, probeer de toonhoogte van Gods stem aan te voelen, lees ’t nog een keer en wees – als je kunt… – even stil.

Voor wat ’t waard is, een paar van mijn gedachten erbij.
Het eerste gevoel wat bij mij boven kwam: ‘Oeff… Volgens mij is God boos!’.
Nou ja, in elk geval is ‘vriendelijk’ niet de toon die ik oppik.
Het doet me denken aan de manier waarop God Job te woord staat (Job 38vv).

En toen ik even doorlas, snapte ik ook waarom: vers 27.
Simpel gezegd: de mensen – Gods mensen! – roepen dat het zinloos is de Heer bij je leven te betrekken. Wat jij voelt of meemaakt, interesseert Hem namelijk niet…

En dat – dat raakt God!
Hoorbaar.
Dat zij (niet per ongeluk noemt Hij ze ‘Jakob’, ‘Israël’!) doen, alsof God een vreemde voor hen is – het kwetst God in zijn ziel…

* * *

Jaja – het komt uiteindelijk allemaal goed: vers 29-31.

Maar zoveel is dan wel duidelijk: dat ligt ‘m niet aan mijn vroomheid, jouw vertrouwen, onze hoop.
Als ons leven op de kop wordt gezet – en dat werd ’t voor de Israëlieten toen! – zijn we al gauw geneigd ons terug te trekken in het donker.
Of – de andere kant van het spectrum – bijtend agressief uit te halen naar degene die ons het naast wilt staan…
Dat helpt niet.
Daar wordt ’t alleen maar donkerder van – omdat je God daarmee op afstand zet.

Dat weet je.
Dat heb je gehoord ook.

‘Wie hoopt op de Heer…’, zo eindigt ‘t.
Misschien zouden wij beter kunnen zeggen: ‘wie het geduld heeft & de tijd neemt om op de Heer te hopen, die…’
Dat hoort bij hopen.
Dat hoort bij verwachting.
Dat hoort bij God.
Want Hij is: Heer.

* * *

Jesaja 40:21-31

21 Weet je het niet? Heb je het niet gehoord?
Is het je niet van meet af aan verteld?
Is het niet al helder sinds de grondvesting van de wereld?

22 Hij troont boven de schijf van de aarde
– haar bewoners zijn als sprinkhanen –,
hij spreidt de hemel uit als een doek,
spant hem uit als een tent om in te wonen.

23 Hij maakt vorsten nietig,
de leiders van de aarde onbeduidend:

24 nauwelijks zijn ze geplant, nauwelijks gezaaid,
nauwelijks hebben ze wortel geschoten,
of hij blaast over hen, en ze verdorren
en de stormwind neemt hen op als kaf.

25 Met wie wil je mij vergelijken, zegt de Heilige,
aan wie ben ik gelijk te stellen?

26 Kijk omhoog: wie heeft dit alles geschapen?
Hij laat het leger sterren voltallig uitrukken,
hij roept ze bij hun naam, een voor een;
door zijn kracht en onmetelijke grootheid
ontbreekt er niet één.

27 Jakob, waarom zeg je – Israël, waarom beweer je:
‘Mijn weg blijft voor de HEER verborgen,
mijn God heeft geen oog voor mijn recht’?

28 Weet je het niet? Heb je het niet gehoord?
Een eeuwige God is de HEER,
schepper van de einden der aarde.
Hij wordt niet moe, hij raakt niet uitgeput,
zijn wijsheid is niet te doorgronden.

29 Hij geeft de vermoeide kracht,
de machteloze geeft hij macht in overvloed.

30 Jonge strijders worden moe en raken uitgeput,
zelfs sterke helden struikelen,

31 maar wie hoopt op de HEER krijgt nieuwe kracht:
hij slaat zijn vleugels uit als een adelaar,
hij loopt, maar wordt niet moe,
hij rent, maar raakt niet uitgeput.

[1] Voor de duidelijkheid: Hebreeuwse poëzie is anders dan wat wij gewend zijn. Zelfs de grootste geleerden op dit gebied doorgronden niet alle nuances en ‘regels’… Eén ding kun je vaak wel herkennen, ook in vertaling: de ‘dubbeling’ van zinnen – zgn. parallellismen – waarmee op verschillende manieren hetzelfde wordt gezegd. Of – let op! – bijna hetzelfde. Of: iets tegenovergesteld. Of… Minstens twee keer kijken, dus 😊