Ooit was hij groot en sterk. Nou ja, hij was groot en sterk geworden. Zo was hij uitgegroeid. Hij was het niet altijd geweest. Voordat hij zo groot en sterk was, werd hij vaak over het hoofd gezien. Hij was de laatste. De kleinste. Een klein boompje, een struikje. Vaak vergeten en verguisd. Hij stond in de schaduw van de anderen. En toen werd er gekapt. Stond hij in het volle licht. Dat maakte hem groot. Groter als wie ook daarvoor.

Groter en sterker, sterker en groter werd hij. Hij stond daar met al zijn pracht in het midden van de andere bomen. Opeens was daar de bliksem geweest. Hij werd gespleten. Dat had veel met hem gedaan. Hij had aan kracht ingeboet. Maar hij stond nog. Hij was er nog. Jarenlang groeide hij weer door. Het was nooit meer zoals het eens geweest was. Dat kon ook niet meer. Anderen overvleugelden hem. Hij kwam weer in de schaduw te staan. En toen werd hij geveld. Omgehakt. Van die geweldige stam bleef niets meer over. Nou ja een klein stompje. Maar hij was bijna met de grond gelijk gemaakt. Er leek geen leven meer in te zitten.

Er kwamen andere bomen. Zij werden groot en sterk. Ze groeiden uit met geweldige takken. Ze hadden diepe wortels. Maar ook die bomen werden omgeblazen. Omgehakt. Dan kwam er weer ruimte voor nieuwe. Wat ooit klein begon werd langzaam groot.

Voor het stompje leek geen plek meer. Niemand die er naar omkeek. Niemand die er rekening mee hield. Wat dood was, is dood. Daar hoef je niet mee te rekenen.

En dan groeit er opeens toch weer een takje. Heel klein. Met wat blaadjes. Haast niet te zien. Er zit toch nog leven in. En het groeit uit tot een boom. Een geweldige boom, waarvan de kruin over alle andere bomen zal groeien.

Ik heb het wel eens gezien: een gevelde boom, waar toch weer takken uit groeien. Het lijkt het einde te zijn, maar het is het niet. Daar spreekt Jesaja over. David en Salomo, dat zijn koningen over wie je met respect spreekt. Eerst was er Saul geweest. David had hem opgevolgd. En toen werd het rijk groter. En tijdens de regering van Salomo was er vrede. En de groten van de aarde kwamen langs.

Wat was er van dat huis van David overgebleven? Niet zoveel. Zeker niet na de ballingschap.

En toen kwam Jezus. De Zoon van David. Hij zal koning zijn. Ieder zal zijn heerlijkheid zien. Maar die heerlijkheid is wel anders dan van andere koningen.

Ergens achteraf wordt een koningszoon geboren. Hij ligt in een voerbak. Hij groeit op als de zoon van de timmerman. Dan wordt Hij rondreizend leraar. Hij heeft oog voor het zwakke. Een blik voor het verachte. Hij vertelt raadselachtige verhalen. Is scherp in zijn optreden. Het eindigt aan een kruis. Dit is de koning van de Joden. Een koning in een graf. Een koning zonder pracht en praal.

Vandaag hebben velen van Jezus gehoord. Morgen vieren velen het kerstfeest. De geboorte van de Zoon van God. Een stamboom, die niet doodloopt, maar weer uitloopt. De groten spreken over Hem en noemen zijn naam. Voor de kleinen biedt het hoop en verwachting. Het spreekt over de overwinning. Maar tegelijk ontkent het niet het lijden van deze wereld. Dat maakt deze koning zo bijzonder. Daar spreekt Jesaja over: de lijdende knecht, de lijdende koning. Deze koning wordt de heerser over de wereld.

Ds. Erik Pomp

Ds. Erik Pomp

Predikant Aduard