Hé! ……. Hé jij daar! …….. Ja, jij! ……… Nee, jou bedoel ik niet, ik bedoel die ander.

Die met die krullen, met dat bruine haar. Ja jij! ………

Ken je nog het spel wie is het? Is het een hij? Nee, dan kunnen alle heren weg. Heeft ze een bril? Ja, dan kunnen alle brildragers blijven. Tot dat je zoveel kenmerken had genoemd, dat er nog maar één plaatje overbleef: is het Sandra?

Lastig als je van iemand de naam niet kent. Je naam is heel persoonlijk. Je naam is iets van jezelf. Dat ben jij. Als iemand je dus bij je naam noemt. Dan kent hij je.

Nou ja kennen? Het was op het Panorama-platform van Schiphol. We waren er om er naar de vliegtuigen te kijken. Komt er opeens een onbekende op ons af: “u bent toch de dominee van Vrouwenpolder?” Ja, dat was ik. Maar de ander bleef onbekend. En het kennen ging niet verder dan die paar keer, dat ik in een Zeeuwse plaats op een kansel had gestaan.

Ik heb je bij je naam geroepen. Je bent van Mij. Ik heb je gemaakt, Ik heb je gevormd.

Het zijn woorden, die je op een doopvont kunt tegenkomen. God heeft je bij je naam geroepen. Zijn naam is aan jouw naam verbonden. Toen je door het water ging. Je naam klonk: gedoopt in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. De Vader belooft voor je te zorgen. De Zoon belooft je te redden. De Geest belooft je te veranderen. Samen beloven ze je een geweldige toekomst. Daar zetten ze hun naam voor op het spel.

Heerlijk persoonlijk. Het gaat tussen jou en God. Door Hem geschapen, door Hem gevormd. Prachtig! Maar wel helemaal losgehaald uit de profetie van Jesaja.

Door wie komt de situatie waar je nu in zit? Door wie zit je nu midden in de ellende? Door wie bevind je jezelf nu in een vreemd land? Dat zijn de vragen, die Israël zich kon stellen. En het antwoord was: het komt door onszelf. Het zijn onze eigen zonden, die hiervoor hebben gezorgd. We hebben ons zelf in het ongeluk gestort. Tegelijk was het antwoord: God. God heeft hen laten wegvoeren. Jesaja gebruikt zelfs het beeld van in brand steken. De brandende boosheid van God is over hen uitgegoten.

Dat lijkt het einde. Weggevoerd, verbrand, verloren, geplunderd, leeggeroofd. Naamloos.

Maar zo werkt het bij God niet. God haalt zijn volk terug. Hij blijft trouw aan zichzelf. Trouw aan zijn belofte. Moeten ze door rivieren, het water zal hen niet meesleuren. Moeten ze door de vlammen, het vuur zal hen niet verschroeien. Overal haalt Hij hen vandaan. Brengt hen terug.

Water en vuur. Teken van reiniging. Teken van ondergang. Teken van oordeel. Ga het in de bijbel maar eens langs. Maar hier ook teken van redding. Dat is het contrast. Het contrast tussen het oordeel van God en zijn liefde, waarmee Hij ons tot zich trekt. Dat strekt zich uit tot zijn volk: hen noemt Hij bij hun naam. Hen heeft Hij gevormd. Dat volk van Hem. Hen samen en zo heel persoonlijk.

De boosheid van God richt zich op Iemand anders. Op de Zoon die geboren wordt en opgroeit. Hij sterft aan het kruis. Met Hem gedoopt om op te staan in een nieuw leven. Dat is het contrast.  

Ds. Erik Pomp

Ds. Erik Pomp

Predikant Aduard

Jesaja 42: 23 – 43: 7